Thuis voelen.
Natuurlijk, in mijn eigen huis voel ik me thuis. Daar heb ik de geluiden, de dingen en mijn dieren die ik graag in mijn buurt heb. Ik weet de veiligheid van mijn zoon in mijn buurt, al spreken we elkaar niet veel.
Buiten in de natuur, tja dat is ook een beetje thuis. Ik geniet van de vogels die ik nog kan horen, de planten en bomen die in bloei staan. En natuurlijk de waterkippen die hun kuikens opvoeden. Daar word ik rustig van. Dat is waarom ik graag wandelen wil. Ik kan nog niet zover wandelen, maar dat komt nog wel.
Wandelen naar de kerk, dat gaat ‘m dus nog niet worden. Ik ga voor nu nog met de scootmobiel.
In de VEG kerk voelde ik me thuis. Maar daar is voor nu het geluid niet echt prettig. De mensen daar zijn me echt lief. Maar mijn oren vinden die omgeving niet lekker.
Dus ga ik naar de Nazarener. Een mooi kerkje in mijn buurt. En echt nog tever om te lopen, zei ik al.
Als ik mijn scoot daar heb geparkeerd, hoop ik dat het droog blijft. Met het weer hier in Nederland weet je het maar nooit. Mijn scoot staat bij de fietsen gestald.
Als ik binnen ben, voel ik eigenlijk al een heel andere sfeer dan een maand of drie geleden. Het voelt veiliger. Ik krijg een knuffel en ik zie ogen oplichten als ze me binnen zien komen. Een kort praatje, toen ik een kussen had gehaald bij de kapstokken. Binnen in de zaal voelt het echt warm. Ik zie meer knuffelende mensen. En mijn buur naast en achter knuffelen met mij.
Dit keer kan ik zeggen: “Dit is mijn thuis.”
De dienst is goed en een fijne preek. En na de dienst, een bakkie koffie. Ik zie een bekende en ga bij haar zitten. Praten over het een en ander en het is goed.
Werkelijk, echt thuis dit keer.
Nu ik weer thuis in mijn eigen huis ben, kan ik zeggen, ik heb nog een thuis gevonden.