We rijden.

We rijden naar de camping. Ik zeg we, omdat ik Poekie en Lotte bij me heb. Lotte boven op de passagiersstoel en Poekie in haar reismand op de grond ervoor. Het is rustig op de weg en we tuffen lekker door. Die twee vinden het heerlijk om mee te rijden. Ze weten wat er gaat komen en het lijkt wel of ze zich er echt op verheugen.

Poekie liet zich netjes in haar mand zetten en Lotte sprong zelf al in de auto.

Na een uur word ik wat moe en duik een parkeerplaats op. Ik eet een wit broodje met kaas en drink wat water. Die met bubbeltjes.

Ik twijfel of ik nog even naar het toilet wil, maar heb daar uiteindelijk geen zin in. We gaan weer op weg.

Dus ik stap de auto in, doe mijn riem aan en kijk langs me naar achter of er geen verkeer aankomt. Ik zie niets bijzonders en wil de parkeerplaats uit rijden. Op dat moment scheurt er een auto langs en ik schrik me rot. Ik ga vol op de rem.

Ik begin te tieren en te schelden, wat natuurlijk niet veel zin heeft. Poekie laat dat dan ook wel even weten. Ze steekt haar pootje uit haar reismand en tikt mijn been aan. Alsof ze wil zeggen:
“Hé vrouwtje, hier kan ik niet tegen hoor. Dat gescheld maakt me nerveus.”

Ik voel haar pootje en weet dat ik op mijn plaats gezet word.
“Je hebt gelijk dame,” zeg ik. “Ik viel even uit mijn slof.”

Ik laat het tieren achterwege en word weer rustig. Dankzij Poekie. We gaan weer op weg. Op naar de camping.

En op de camping, daar kunnen we wel wat rusten. Beetje heen en weer lopen, een beetje opruimen. Poekie en Lotte vinden dat wel een goed idee. Ze zoeken ieder hun eigen plekje in de caravan en ik ruim op.

Ik zet een bakkie koffie en laat de geur van het bos door mijn neus dwarrelen.

Ik zie dat het gras voor de caravan nodig geknipt moet worden. Dat is een karweitje voor morgen.

Nu niet.
Nu ga ik zitten en drink ik mijn koffie.