Op weg naar….
We hebben de auto ingepakt. Tassen met kleed, borden en bestek staan klaar. Ook broodjes en drinken zitten in de tas. En koffie natuurlijk. En thee erbij. Een koelbox met koud drinken, meestal water. Want het kan een warme dag worden.
Na ons ontbijt gaan we op weg. Het is nog vroeg en stil op de weg. De mist hangt over de groene velden, waar de koeien staan. Die slapen nog een beetje. We zetten zachtjes een muziekje aan.
Het is een mooie dag om af te reizen. We rijden naar het oosten van het land, vanuit Brabant. Eerst een stuk over de provinciale weg en daarna over de rijksweg verder.
Naar Breda zijn we in een uurtje. Dat stuk ging snel. We besluiten om via België verder te rijden. Ondertussen zijn de wegen wat drukker geworden en is het goed opletten op de weg. Ik rij nu zelf niet, dus ik kan wat eten en drinken inschenken.
Eehhh… ik heb een klein probleempje. Ik moet een kleine boodschap. Dus vraag ik mijn partner om bij de eerstvolgende parkeerplaats te stoppen. Daar kan ik even plassen en mijn benen strekken. En Werner ook. Het is ook niet handig om in de auto koffie te drinken. De weg wordt wat onregelmatiger en hobbeliger, ondanks dat het een rijksweg is. We besluiten om buiten de auto te eten en te drinken.
Na tien minuten komen we bij de parkeerplaats aan. Het is de laatste vlak voor de grens. Daar zit ook de douane. Niet dat wij daar iets mee te maken hebben, maar het is wel leuk om te zien dat alle vrachtwagens in de rij staan om door de douane te komen. Op de parkeerplaats is ook een restaurantje met toiletten.
Ik heb trek in iets zoets en neem een koffie uit een gewoon kopje. Dat drinkt toch lekkerder dan een plastic bekertje in de auto.
We zoeken een tafeltje bij het raam, waar een rood geruit kleedje op ligt. Er staat een vaasje met een klein bosje bloemen. Ik ga eerst naar het toilet. Even lozen en handen wassen. Dat voelt al wat frisser.
Als ik bij het tafeltje terugkom, zie ik dat Werner zijn koffie heeft geknoeid. Hij heeft een schoteltje vol koffie. Hij gaat wat servetjes halen om het op te deppen en die weer weg te gooien. We drinken onze koffie en eten onze cake op. Het is tijd om verder te gaan en we lopen naar de auto.
We moeten goed uitkijken, want het is best druk op de parkeerplaats. Er rijden veel auto’s en ze parkeren niet altijd even handig.
Als we goed in de auto zitten, gaan we weer op weg. Door België. Al snel over de grens wordt het landschap heuvelachtiger. België is niet zo vlak als Nederland. Het wegdek ziet er grijs uit. De wegwijzers zijn ook anders dan in Nederland. De bordjes zijn kleiner en je moet goed opletten wat erop staat als je langsrijdt. Met de kaart in mijn hand lukt het om de juiste weg te vinden naar Limburg. Want we gaan eerst bij Robert langs. We hadden beloofd dat we langs zouden komen.
Ik kijk naar het landschap en zie verderop wat sneeuw op de toppen van de heuvels. Daar lijkt het nog wat koud te zijn. Ik zie de bordjes van de grotten van Han en zeg tegen Werner dat ik daar nog heel graag eens naartoe wil. Beleven hoe het is om door die grotten te lopen. De geluiden die daar zijn, het licht dat anders is dan boven de grond en de geur van water en aarde. Dat lijkt me zo mooi. Ik heb er wel over gelezen, maar ik wil het zelf beleven.
Verderop zie ik de kleuren van een pretpark. Plopsaland? Dat weet ik niet zeker, maar een pretpark hoeft van mij tegenwoordig niet meer.
We rijden verder en komen bij de grens van België en Limburg. Daar moeten we even goed opletten, want anders pakken we de verkeerde afslag. Zoals ik al zei, de wegwijzers zijn wat verwarrend.
Na wat puzzelen komen we in het plaatsje waar Robert woont. Ik pak de kaart van het plaatsje erbij en zoek het adres dat we nodig hebben. We rijden door smalle straatjes. Het is hier behoorlijk heuvelachtig. Ineens komen we midden in het dorpje uit. Gezellige winkeltjes, veel planten en kleuren groen en rood. Het ziet er heel gezellig uit. Maar we hebben geen tijd om te winkelen. We moeten door, want het wordt al wat laat.
We komen bij Robert aan. We begroeten en knuffelen elkaar. We hebben elkaar al te lang niet meer gezien. Het voelt goed om elkaar weer te zien.
Binnen drinken we koffie en ik vraag of Robert en zijn vriendin zin hebben om mee af te reizen naar het zuiden, naar Luxemburg.
Ze kunnen niet mee, dat is jammer. Werner en ik gaan na de koffie weer op weg. We nemen afscheid van Robert en beloven elkaar dit keer niet te lang uit het oog te verliezen. Waarvan ik weet dat we dat niet waar kunnen maken, want we hebben allemaal onze bezigheden en ons werk waar we niet van weg kunnen blijven.
We hebben ons weer gesetteld in de auto en gaan weer op weg. Verder naar het zuiden. Het is bijna midden op de dag en het is nu echt druk op de weg.
“Waarheen?” vraagt Werner.
Ik zeg dat we op de goede weg zitten en over twintig kilometer bij de grens van Luxemburg zijn. Dan kijken we daar hoever we nog door kunnen rijden.
Het wordt nu echt bergachtig en we komen bij de grens aan. Daar links, net over die berg heen, ligt het drielandenpunt. Daar komen Nederland, Luxemburg en België op één punt bij elkaar. Ik ben daar al eens eerder geweest en ik heb daar mijn voeten binnen drie minuten in elk land gezet. Dat was grappig. Voor nu hebben we daar geen tijd voor. Waar we hier voor komen, moeten we zo ver mogelijk naar het zuiden. Frankrijk redden we niet meer, maar halverwege België, dat kan nog wel.
Het wordt tijd dat we van de snelweg af gaan en op kleinere wegen gaan rijden. Op het moment dat het tijd is, kunnen we stoppen en ons verwonderen over de zonsverduistering. Want daar gaat het om. In Nederland, waar we wonen, is de zonsverduistering niet totaal. Hier in België komen we wel heel dicht in de buurt.
Het gaat schemeren. We rijden op een smalle weg waar aan de ene kant huisjes staan en aan de andere kant het landschap afloopt naar een lager gelegen weide. Daar staan koeien en schapen, met daaromheen veel bomen. Een rustig tafereel van grazende en herkauwende dieren.
Hier staan we stil. We stappen uit en zien dat het snel donkerder wordt. De koeien loeien, de vogels kwetteren en de schapen blaten. Alles door elkaar. Een kakofonie van geluiden. Het donker worden gaat echt snel. Binnen tien minuten is het donker. Het is nacht en alle dieren zijn stil.
De stilte valt uit de hemel.
Zo verwonderend, zo indrukwekkend. Daar heb ik geen woorden voor.
Ik heb niet eens tijd om de zonsverduistering zelf goed te zien. Heel even zie ik het: een donkere bol met een oranje-roodachtig schijnsel eromheen. En nog geen twee minuten later wordt aan één kant het schijnsel alweer helderder.
Ik hoor de koeien die loeien, steeds harder. Alsof ze de zon weer verwelkomen. De schapen en vogels laten zich ook weer horen. Het ruikt als de ochtend en het voelt als net wakker worden. Zo bijzonder.
Het is een hele belevenis om binnen een kwartier de zon “onder” te zien gaan en weer “op” te zien komen. Daar moet ik even de tijd voor nemen, voordat ik weer verder ga met mijn leven.
“Wil je ook een broodje?” vraagt Werner.
Ik knipper met mijn ogen en kom uit mijn verwondering.
“Weet je dat we dit nooit meer meemaken?” zeg ik.
“Ja, geef me maar een broodje en wat drinken. Geen koffie, daar sta ik nooit mee op.”
Het is alsof de dag voor een tweede keer is begonnen en we nu pas weer verder kunnen.