Castelfest

We hebben ons aangekleed. Ik had al eerder een lange klokrok gemaakt. Een soort spijkerstof, die ik met een riem kan dragen. Die rok heb ik nu aan. En een shirt met lange mouwen, want het wordt warm vandaag.

Ik zoek de spullen bij elkaar die we onderweg nodig hebben en Werner zoekt de spullen van de tent bij elkaar. Geen gewone tent, maar een tipi-tent. Met een stok in het midden en twee aan de voorkant. Deze is zelfs door één persoon goed op te zetten. Werner zet de kampeerspullen in de auto en ik de dingen die ik binnen heb verzameld. Natuurlijk ook de entreekaarten en de boeking van de camping daar dichtbij.

We kunnen op weg naar Lisse. Want dat is onze bestemming. We vertoeven daar een heel weekend. Ik verheug me op dit weekend.
En we rijden, op weg naar het noorden. Lisse, we komen eraan.

We rijden over bekende wegen en door bekende gebieden. Het dorp uit, de rijksweg op, de flinke bocht in via Bergen op Zoom. De Moerdijk, waar het altijd een beetje naar chemie ruikt. Richting Rotterdam. Langs de drukke stad, die we links laten liggen.

Het wordt al warm in de auto en we zetten de ARKO aan: Alle Ramen Kunnen Open. Toen we deze auto kochten, hebben we er bewust geen airco in laten zetten. Ik werd vaak ziek als ik in het bedrijfsbusje van Werner had gezeten in de airco-lucht.

Met de ramen open ruik ik de zomer in de lucht. De zon die fel schijnt, maar ook het vocht van de rivieren dat langzaam verdampt.

Bij Lisse aangekomen gaan we op zoek naar de camping waar we hebben geboekt voor twee nachten. We zijn nog jong genoeg om in een tent te slapen. Op de camping zoeken we ons plekje. Het is een grasveldje, wat verder weg van de toiletten. Dat is mooi, want dan heb je geen last van de geur van het toiletgebouw.

We pakken de tent uit de auto en gaan aan de gang met uitrollen, de vloer vastpinnen in de grond en de stokken in elkaar zetten. We plaatsen de stokken in de juiste positie en zetten ze rechtop. Zo, de tent staat. Voor zover dan. De scheerlijnen moeten nog strak gespannen worden en het doek goed gezet.

Al met al staat de tent binnen een klein uurtje. Zo gebeurd. Daarna kunnen we even zitten en ontspannen. De klapstoelen staan snel en het tafeltje erbij. Even uitrusten, met wat drinken en een boterham.

Na de rust richten we de tent verder in. De bedden worden opgemaakt, het gasstel krijgt een plek en de kleding leggen we een beetje strategisch neer. We zijn helemaal klaar.

We maken kennis met onze buren. Een jong stel uit Dordrecht. Samen hebben we een gezellig uurtje en daarna gaan we met z’n vieren op weg naar het festival. We luisteren naar de muziek die op dat moment op het podium wordt gespeeld. Het is al vrij druk bij het podium en we zoeken een plekje om te zitten. Kleedje op de grond en ontspannen maar. Luisteren naar de folkmuziek.

Na een uurtje of twee ben ik het zat op het veld en wil ik graag mijn bed in. We lopen terug naar de camping, ik ga me nog even wassen en we zoeken onze slaapplaats op in de tent. Om ons heen is nog wat geroezemoes van alle buren, maar ik heb daar niet veel last van. Ik lig diep in mijn slaapzak gedoken en val al snel in slaap.

’s Morgens geef ik Werner een flinke zet. “Je snurkt. Je zaagt ondertussen een heel bos om!”
Ik kruip uit mijn bed en ga naar het toilet. En moet weer terug: geen toiletpapier. Dus dat maar even halen. En dat terwijl ik nog niet helemaal wakker ben. Als ik terug ben bij de tent — ik ben ondertussen wel naar het toilet geweest — pak ik een aluminium pannetje en doe er wat water in. Ik zet theewater op en smeer wat brood. Als het water kookt, heb ik eigenlijk meer trek in koffie. Ik maak van het theewater lekker koffie. Misschien dat ik dan wat meer wakker kan worden.

Samen ontbijten we met vers zelfgebakken brood, dat zo lekker ruikt. Ik doe er kaas op, met een klein beetje boter. Ik geniet van de ochtend en mijn ontbijt. Ik ruik de natuur, het verse ochtendgras, de struiken die in bloei staan en de aarde die nog vochtig is van de nacht.

Al snel is mijn koffie al op. We wassen de bordjes en kommen af en doen ze in de tas. Die nemen we mee, met het brood dat nog over is en het beleg. We ruimen de boel op in de tent, sluiten de tent af en gaan op weg naar het Castlefest-terrein. Ik neem mijn rolstoel mee, waar ik de ingepakte tas in zet. Als ik pijn krijg op het terrein, dan kan ik gaan zitten. Zo gaan we samen op weg.

Het perceel waar Castlefest is, met het kasteeltje erop, ligt aan de ene kant van de weg en de ingang aan de andere kant. We lopen naar de ingang en komen via een tunnel bij het pad naar de toegangspoortjes. Het pad is versierd met collages van bomen en figuren van feeën en kabouters. Echt een fantasiewereld. De muziek die aan staat is een rustig fluitorkest met stukjes pianomuziek verweven. Een beetje romantisch.

Als we door de toegangspoortjes zijn, vragen we bij de infobalie een overzichtskaart. Het terrein is zo groot dat je bijna zou verdwalen. Met een kaart is ook te zien waar eten en drinken te krijgen is. Dat is wel zo makkelijk. De EHBO-post staat er ook op vermeld. Daar gaan we straks even kijken of we nog bekenden zien.

Voor nu oriënteren we ons op de paden waar de kraampjes staan. En er zijn heel veel kraampjes. Er is van alles te zien en te koop: boeken, sieraden, kleding. De smid staat er ook, met veel soorten zwaarden. Van eenhands tot dubbelhands. En overal hoor je muziek. Er is nergens een stil plekje.

We lopen rustig langs de kramen en blijven af en toe staan om te kijken wat er ligt. De meeste kramen hebben spullen die met fantasie en oude gebruiken te maken hebben. Ik kan hier ideeën opdoen voor thuis. Hoe ik haarlinten kan vlechten. Hoe ik zelf een boek kan maken. En de kleding: welke modellen ik kan omzetten naar deze moderne tijd.

Over kleding gesproken. Veel mensen lopen hier in kleding die ze zelf hebben gemaakt. Lange jurken die wijd uitwaaieren, met een geknoopt parasolletje erbij. Hoedje op, rond brilletje. Ook zie ik mensen uitgedost in zwerverskleding, vies en gescheurd, onder de “bloedvlekken”. Het is gaaf om te zien.

Ook lopen er groene mensen rond die met een vuilzak en grijper de grond schoon houden. Bezoekers worden er vriendelijk op gewezen hun afval in de prullenbakken te gooien.

We komen een jongedame tegen die graag geknuffeld wil worden. Ze heeft een bordje om haar nek waarop staat “gratis hugs”. Ik geef haar een flinke knuffel. Even een gevoel van samen zijn, van: je mag er zijn. Ik lach naar haar en krijg een lieve glimlach terug. We zwaaien en lopen weer verder.

(Tussenstuk boogschieten en spelen blijft zoals je had — dat liep al goed.)

...

Het is nu halverwege de middag en het is nog goed warm. Ik transpireer uit iedere porie in mijn huid. Vreselijk. Die warmte kan ik niet aan wennen. Ik ben er moe van. Mijn kleding plakt aan mijn huid.

We lopen langs de kramen. Werner loopt, ik zit. Ik ben moe en wil eigenlijk wel een schaduwplekje en drinken. We komen bij een limonadekraampje, waar we citroenlimonade kopen. Lekker koud, met veel ijsklontjes erin. Ik drink te snel en krijg even kouhoofdpijn. Die zakt gelukkig snel weer.

We hebben een schaduwplekje gevonden en gaan daar een poosje zitten. Ik kijk naar de mensen die voorbijlopen. Je kunt het eigenlijk geen lopen meer noemen, het is slenteren. Ik snap dat ook wel. Die hitte raakt iedereen.

Ik vind het grappig om mensen te bekijken. Allemaal hetzelfde en toch weer een beetje anders. De een wil overal kijken bij de kraampjes en een ander sloft langzaam door. Een vader met een kinderwagen en een peuter ernaast die brult dat ze een ijsje wil. Ik vind dat wel grappig — niet voor die vader hoor — maar zelf zou ik heel hard mee gaan schreeuwen met dat kindje.
IK WIL OOK IJS!
Ik zeg het niet… maar ik wil het wel.

We staan op en gaan op zoek naar een ijscokar. Die had ik eerder al gezien. Ik hoop dat die er nog staat. Van dat zachte roomijs, met aardbei- en vanillesmaak. Zo verkoelend. Een feestje in je mond. Even droom ik ervan, ik proef het al bijna.

We zoeken, maar kunnen de ijscokar niet vinden. Ik stel voor om in het kasteeltje ijs te halen. Ik weet niet eens welk ijs ze daar hebben, maar dat kan me eigenlijk niet schelen.
Ik wil ijs. Ik wil afkoelen… maar wat wil ik eigenlijk echt?

Ik ben moe van de dag. We lopen naar het grote podium. Bij het podium wordt gedanst op Ierse muziek. En ik ruik de barbecue. Ik wil wat eten.

We gaan in de rij staan voor een steak met brood en knoflooksaus. De rij is lang. Het wachten duurt lang… eindelijk zijn we aan de beurt en nemen allebei een steak.

We zoeken een plekje op het veld, onder de grote eik, en genieten daar van het vlees en het brood. De saus is niet te sterk en lekker knoflookerig. Ondertussen luisteren we naar de Ierse muziek en kijken naar de muzikanten op het podium.