Kerk.
Ik ben in de kerk. Ik had genoeg energie om weer eens te gaan. De dienst is net afgelopen en ik had al rondgekeken of ik bekende gezichten zag. Ik sta van mijn stoel op en breng het kussen, waar ik op zat, terug naar de ruimte met kapstokken. Kinderen spelen op en onder de tafels die aan de kant geschoven staan.
Ik schuifel tussen de mensen door naar de koffieketel en schenk voor mezelf een bakkie in. Met de koffie in mijn hand ga ik naar de grote tafel, waar ik aanschuif bij mensen die ik niet ken. Ik maak een praatje met de man die daar zit. Die verteld dat hij niet zo goed hoort. Ik grinnik en zeg hem dat ik ook slecht hoor. Voor zover het kan in de herrie van al die kwebbelende mensen om ons heen, proberen we te praten en vooral te luisteren.
De hal lijkt nu wat leger en nog zie ik geen bekende gezichten. Ik kom niet vaak hier in de kerk, maar het lijkt alsof er veel verloop is in de gemeente. Er zijn maar een paar gezichten nu die ik wel herken, die er wel elke keer zijn als ik kom. Maar dat zijn wel allemaal mensen die een taak hebben. Bv de mensen welkom heten, koffie zetten en al dat soort dingen. Grotendeels ken ik de mensen niet, ook niet van gezicht. Ik voel bij de mensen een afstand, alsof er een glazen muur staat, waar ik niet doorheen kom. Ik voel hier geen warmte en echte gezelligheid. Ik mis hier de geborgenheid.
Ik heb mijn koffie op en ga mijn jas aandoen. Ik voel me nu een beetje alleen. Ik mis mijn broeders en zussen van de oude kerk.
Ik besluit om de week erop daar weer eens te gaan kijken.
Het is wel dat ik vroeg op moet staan, me goed voorbereiden en dan zorgen dat ik de bus haal. De rollator en de rolstoel laat ik thuis. Ik hoop dat het zitten een beetje gaat. Dat mijn bovenbeen niet zo zeer gaat doen.
Na het ontbijt pak ik mijn tas, waar mijn telefoon en BAHA in zit en zakdoekjes. Meer heb ik niet nodig daar. Oh, wel mijn portemonnee, voor de collecte.
In de bus heb ik de tijd om goed wakker te worden en ik verheug me op de dienst. En natuurlijk om mijn lieve broeders en zusters te zien.
Op de plaats van bestemming aangekomen, stap ik uit de bus. Ik kijk om me heen en zie dat het nog stil is. Logisch, het is nog een half uur voor de dienst begint. Deze kerk voelt wel als een welkom. Als een thuis komen. En dan ben ik nog niet eens binnen.
Daar loop ik nu naar toe, deur open en er staan in de hal al wel mensen. We geven elkaar een hand en wensen elkaar een gezegende dienst toe. Ik hang bij de kapstok mijn jas op en ga naar de lage trap, achter in de kerk. Als ik mijn rolstoel mee had, dan kon ik daar met de lift naar boven. Nu loop ik het trapje op en laat de zang en warmte over me heen komen. Er zijn nog niet veel mensen in de zaal en iedereen is bezig om de dienst verder voor te bereiden.
De kussentjes om op te zitten liggen bij de hoge trap. Daar loop ik naar toe om er een te pakken. En ondertussen kom ik een broeder met zoon tegen, flink gegroeid. Ik ben verrast als ik m zo groot zie. Ik knuffel ze beide en voel de openheid bij ze.
Bij de trap knuffel ik ook een zus en broer. Ik ben heel blij dat ik ze zie. Ik pak een kussentje en loop naar de bank waar ik wil gaan zitten.
Ondertussen bedenk ik me, wie zal er meekijken met de dienst? Normaal zit ik zelf thuis op de laptop te kijken. Zuster Sien, bedenk ik me, die kijkt altijd mee. En ik denk aan vroeger. Een ontmoeting tussen zuster Sien en mijn pa. Of mijn pa met gezin eens in de dienst wil komen kijken? Mijn pa wil dat niet. En zuster Sien belooft mijn pa voor hem te bidden.
En dan komt mijn eerste keer naar de dienst voor ogen. Dat liep een beetje vreemd. Vincent wilde met een vriend afspreken op zondag, maar die vriend kon niet, want die moest naar de kerk. Vincent vroeg of wij ook een keer naar de kerk gingen. En de eerste zondag stapten we op de fiets en we kwamen zijn vriend en onze buur tegen, met wie we mee fietsten naar de kerk. Ik ga ervan uit, dat God dit voor ons gepland had.
En nu, nu ben ik hier weer.
Ik knuffel meer broers en zusters. Iedereen even open en lief. De warmte straalt van hen af. De blijheid dat ik er weer ben.
We zingen de mooie liederen en luisteren naar de preek.
Na de dienst drinken we een bakkie koffie. Veel mensen nemen een broodje hamburger. Ik niet, want ik weet niet of er varkensvlees in zit. Wel doneer ik een klein bedrag voor het tienerkamp.
Ik luister en kijk de zaal in. Ik geniet van dit plezier en drink mijn koffie.
Ik moet niet meer zolang weg blijven hier. Als ik me weer veel beter voel, kan ik vaker hier komen. Hier voel ik God. Hier ben ik thuis.