Bijna voorjaar.

 

Muisje steekt haar neusje buiten de deur.

Ze ruikt de vorst in de lucht.

Een frisse zachte wind die door haar muts waait.

Ze heeft het niet echt koud.

Muisje stapt van haar drempel haar tuintje in.

Die ligt er nog kaal en verlaten bij.

Wel zie je onder de boom de sneeuwklokjes staan.

En je ziet een paar puntjes van de krokusjes.

 

De boom zit al wel vol knoppen.

Als de vorst wat minder wordt,

springen die allemaal open.

Nu zijn ze nog even kaal, de bomen.

Even nog maar.

Dat duurt niet lang meer.

 

Muisje loopt naar haar schuurtje.

In haar schuurtje heeft ze het gereedschap staan.

Op haar werkbankje verzamelt ze het gereedschap,

dat ze wil gebruiken in huis.

Als ze alles bij elkaar heeft, gaat ze de tuin uit.

Muisje zoekt bij het bos wat stevig hout bij elkaar.

Dat hout gaat ze in huis gebruiken.

 

Ze meet het hout op en ze kijkt of het lang genoeg is.

Dan raapt ze het hout bij elkaar.

Ze bindt er een touw omheen.

Zo kan ze het makkelijk mee naar huis nemen.

Muisje komt Egel tegen onderweg naar huis.

Egel vraagt of ze kan helpen.

En samen dragen ze het hout naar Muisjes huisje.

 

Binnen past Muisje het hout in de keuken.

Kijken of het goed genoeg is.

Muisje is trots dat ze het goede hout heeft gevonden.

Het hout zet ze nu in het schuurtje.

“Morgen weer verder,” zegt ze tegen Egel.

Samen gaan ze aan de keukentafel zitten,

nadat ze hun jas en muts hebben afgedaan.

 

En ze kijken naar buiten,

naar hoe koud het is daar.

Waar het bijna voorjaar is.

Met een beker chocolademelk.

Met slagroom erop.

Daar worden ze weer lekker warm van.